“Om de vergezichten te zien achter parken en draadstalen is het  toch een klein offer wat zand in je wonden te dragen” (uit De Landloopster)
Wanneer je op dit moment door de straten fietst is alles “leeg” en “dicht”, maar toont zich tegelijk een absurd en tot de verbeelding sprekend decor, ontdaan van zijn dagelijkse opvulling. Een open ruimte, die geen bedoelingen met je heeft en waar je niet zelf voor koos, laat zich steeds bewuster zien en ervaren. Een buiten waarin de door mensen gemaakte vormen andere verbindingen met elkaar aangaan die een andere werkelijkheid lijken te betekenen en omschrijven
De meeste mensen begaven zich tot voor kort vooral buiten om naar hun werk te fietsen, te winkelen of een koffie te drinken in iets dat geen café meer mag heten maar net zoals alles beter een marketingconcept kan worden genoemd. Is dit buiten niet eigenlijk ook een binnen? Een veilige, voor jouw bedachte saaie ruimte waarin niets meer aan het toeval wordt overgelaten, hetgeen ook het maatschappelijk concept lijkt te zijn voor het benaderen van jezelf.
Kunnen we de grond buiten en binnen ons nog anders bewandelen, zonder er enkel in rond te dwalen als opgepoetste muntjes? Bestaat het buiten nog als een oningevulde ruimte waar wij ons vrijwillig in willen begeven? En is er een verband tussen het terugdringen van een oncontroleerbare, “vieze” of wilde ruimte en een gebrek aan het tonen van innerlijke weerbaarheid en karakter tegenover dat wat jou wil controleren? En waar zouden wij dit “woud” waarin we op onszelf zijn aangewezen nog kunnen vinden?
De mens draagt zich  aardig geoefend op handen en heeft zichzelf daarmee als grond onder eigen voet benoemd. Toch, we hebben een grond buiten onszelf nodig, een horizon die niet door onszelf gekozen is, waardoor wij ons laten betekenen (en besmeuren). Dit betekenen gaat gepaard met het weggeven van het zelf in iets groters buiten het zelf. De ander. Het buiten. Hetgeen niet te begrijpen of te ontdekken is. Daar waar je kunt buitenspelen en op je bek kunt gaan.
Het buiten als een plek waar je je in kunt verschuilen en niet als een plek die je vraagt je te tonen. Een ruimte waarin gewandeld kan worden zonder ergens heen te moeten. Waar je, ook als je geen puber bent met een fles Bessen, af kan spreken op een bankje in het park, in plaats van je alleen in datzelfde park te begeven tijdens het bbq seizoen samen met honderd duizend andere (vegan)hamburgers. Een plek waar je een eikel tegen kan komen, een heks en een engel, die je allemaal vragen je tot hen te verhouden en je zo dwingen je te gronden in iets dat voor jouw betekenis heeft en je staande houdt. En omgekeerd.
Om grond te raken, moet de mens aan de grond kunnen raken. Een buiten dat ons niet opsluit in onszelf, waar buitenstaanders zichtbaar blijven bestaan en ons laten zien dat niet alles beheersbaar is, vooral wij zelf niet. Opdat we realiteiten blijven zien en leven, die anders zijn dan die ene die bang is voor vieze handen en niet kan zonder het idee dat er altijd iets beters te kiezen valt.